(gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 20 februari 2003, van kracht sinds 1 april 2003)

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN, VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU

4 FEBRUARI 2003. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen


ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op artikel 35, §§ 1 en 2, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 22 februari 1998, 25 januari 1999, 24 december 1999 en 10 augustus 2001, en bij het koninklijk besluit van 25 april 1997;
Gelet op de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, inzonderheid op artikel 35bis , ingevoegd bij het koninklijk besluit van 8 november 1999 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 juli 2000, 20 maart 2001, 10 augustus 2001, 15 oktober 2001, 15 januari 2002, 22 januari 2002 en 18 oktober 2002;
Gelet op het voorstel van de Technische Raad voor Implantaten van 10 juli 2002;
Gelet op de beslissing van de Overeenkomstencommissie verstrekkers van implantaten-verzekeringsinstellingen van 10 juli 2002;
Overwegende dat artikel 27, vierde lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, voorziet dat het advies van de Dienst voor geneeskundige controle wordt geacht te zijn gegeven wanneer het niet geformuleerd is binnen de voorziene termijn van vijf werkdagen en dat dit hier het geval is;
Gelet op het advies van de Commissie voor begrotingscontrole van 10 juli 2002;
Gelet op de beslissing van het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van 22 juli 2002;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 november 2002;
Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 11 december 2002;
Gelet op het advies 34.618/1 van de Raad van State, gegeven op 31 december 2002;
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Pensioenen,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. In artikel 35bis van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 8 november 1999 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 juli 2000, 20 maart 2001, 10 augustus 2001, 15 oktober 2001, 15 januari 2002, 22 januari 2002 en 18 oktober 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, opschrift « F. Heelkunde op het abdomen en pathologie van het spijsverteringsstelsel », categorie 1, opschrift « Endoscopisch materiaal » worden na de verstrekking 689275 - 689286 de volgende verstrekkingen en hun cumulregels ingevoegd :
« 689636 - 689640
Materiaal aangewend naar aanleiding van de verstrekking 473690-473701 gepaard gaande met een papillotomie . . . . . U 120
689651 - 689662
Materiaal aangewend naar aanleiding van de verstrekking 473690-473701 gepaard gaande met een steenextractie . . . . . U 240
689673 - 689684
Materiaal aangewend naar aanleiding van de verstrekking 473712-473723, met inbegrip van een niet-expandeerbare kunststofprothese (uitgezonderd biliaire stent) . . . . . U 360
689695 - 689706
Materiaal aangewend naar aanleiding van de verstrekking 473270-473281 . . . . . U 100
689710 - 689721
Materiaal aangewend naar aanleiding van de verstrekking 473771-473782 gepaard met of zonder het plaatsen van een clip . . . . . U 12
689732 - 689743
Materiaal gebruikt tijdens een gastro-enterologisch onderzoek gepaard gaande met een een echo-endoscopie en punctie . . . . . U 120
De verstrekkingen 689636-689640, 689651-689662 en 689673-689684 zijn onderling niet cumuleerbaar.
De verstrekkingen 689710-689721 en 689732-689743 zijn onderling niet cumuleerbaar. »
2° § 5, opschrift « F. Heelkunde op het abdomen en pathologie van het spijsverteringsstelsel », categorie 1, Endoscopisch materiaal, wordt na het verstrekkingsnummer « 689275-689286 » aangevuld met de verstrekkingsnummers « 689636-689640, 689651 - 689662, 689673-689684, 689695-689706, 689710 - 689721, 689732 - 689743 »
3° § 6, eerste streepje « 0 % voor de verstrekkingen », F. Heelkunde op het abdomen en pathologie van het spijsverteringsstelsel, categorie 1, Endoscopisch materiaal, wordt na het verstrekkingsnummer « 689275-689286 » aangevuld met de verstrekkingsnummers « 689636-689640, 689651 - 689662, 689673-689684, 689695-689706, 689710 - 689721, 689732 - 689743 »
4° § 7, opschrift « F. Heelkunde op het abdomen en pathologie van het spijsverteringsstelsel », categorie 1, Endoscopisch materiaal, wordt na het verstrekkingsnummer « 689275-689286 » aangevuld met de verstrekkingsnummers « 689636-689640, 689651 - 689662, 689673-689684, 689695-689706, 689710 - 689721, 689732 - 689743 »
Art. 2. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad .
Art. 3. Onze Minister van Sociale Zaken en Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 4 februari 2003.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Pensioenen,
F. VANDENBROUCKE




erkenning oncologie

(gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 26 maart 2003)

FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU

11 MAART 2003. - Ministerieel besluit tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, houders van de bijzondere beroepstitel in de oncologie, evenals van stagemeesters en stagediensten in de oncologie

De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu,
Gelet op het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, inzonderheid op artikel 35sexies , ingevoegd bij de wet van 19 december 1990;
Gelet op het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, inzonderheid op artikel 3;
Gelet op het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde, inzonderheid op artikel 2, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 juni 1993, 8 november 1995, 12 maart 1997, 11 april 1999, 15 oktober 2001, 7 januari 2002 en 30 september 2002;
Gelet op het advies van de Hoge Raad van Geneesheren-Specialisten en van Huisartsen, gegeven op 17 september 2002;
Gelet op het advies 34.346/3 van de Raad van State, gegeven op 21 januari 2003,
Besluit :
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Artikel 1. De geneesheer, houder van de bijzondere beroepstitel in de oncologie is een geneesheer die :
1° houder is van een van de bijzondere beroepstitels van geneesheer-specialist beoogd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van de bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde;
2° het geheel van de fundamentele, klinische en specifieke technische kennis beheerst in verband met de behandeling en de opvolging van tumorale aandoeningen in zijn discipline;
3° nauw samenwerkt met de andere artsen betrokken bij de multidisciplinaire aanpak van de oncologie en de zorgprogramma's in de oncologie om ervoor te zorgen dat aan de patiënt de best mogelijke zorg wordt verstrekt;
4° beantwoordt aan de erkenningscriteria vastgelegd in dit ministerieel besluit.
HOOFDSTUK II. - Criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, houders van de bijzondere beroepstitel
Art. 2. § 1. Wie erkend wenst te worden als geneesheer-specialist met een bijzondere beroepsbekwaamheid in de oncologie, moet :
1° houder zijn van een van de bijzondere beroepstitels van geneesheer-specialist, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde;
2° een specifieke opleiding in de oncologie gevolgd hebben, zoals bedoeld in § 2;
3° zijn kennis inzake de registratie en de classificatie van tumoren ontwikkeld hebben;
4° een artikel over een klinisch of wetenschappelijk onderwerp in verband met de oncologie gepubliceerd hebben, in een referentietijdschrift.
§ 2. De specifieke opleiding in de oncologie omvat een voltijdse stage van ten minste twee jaar in een overeenkomstig artikel 4 erkende stagedienst, waarvan ten hoogste één jaar verricht kan worden tijdens de hogere opleiding in een van de disciplines bedoeld in artikel 1 van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991.
De kandidaat kan de stage ten belope van ten hoogste zes maanden lopen in een andere dienst die nuttig is voor zijn opleiding.
HOOFDSTUK III. - Criteria voor de erkenning van stagemeesters die gemeenschappelijk zijn voor alle disciplines
Art. 3. § 1er. Wie erkend wenst te worden als stagemeester in de oncologie moet :
1° erkend mogen zijn voor de opleiding in de basisdiscipline van de kandidaat;
2° houder zijn van de bijzondere beroepstitel in de oncologie of minstens één medewerker hebben, die geneesheer-specialist is, erkend in dezelfde basisdiscipline en houder van een bijzondere beroepstitel in de oncologie en die dan voltijds (ten minste acht tiende van de normale beroepsactiviteit) in zijn dienst werkzaam moet zijn en deel moet uitmaken van een zorgprogramma in de oncologie;
3° minstens de helft van zijn beroepsactiviteit wijden aan klinische, poliklinische en technische activiteiten binnen het kader van een erkend zorgprogramma voor oncologie. Het bewijs van deze activiteit wordt geleverd door middel van een nominatieve vermelding in het multidisciplinair handboek van het desbetreffende zorgprogramma;
4° sedert ten minste vijf jaar erkend zijn of een medewerker hebben die sedert ten minste vijf jaar erkend is als houder van de bijzondere beroepstitel in de oncologie.
§ 2. De stagemeester moet de kandidaten die hij opleidt, toelaten deel te nemen aan de werkzaamheden die behoren tot andere disciplines in dezelfde inrichting.
§ 3. Behoudens uitzonderingen, met redenen omkleed en door de Hoge Raad toegelaten, mag het aantal stageplaatsen ten hoogste gelijk zijn aan het aantal voltijdse medewerkers-geneesheren-specialisten met beroepstitel in de oncologie.
HOOFDSTUK IV. - Criteria voor de erkenning van stagediensten die gemeenschappelijk zijn voor alle disciplines
Art. 4. Om als stagedienst in de oncologie te worden erkend, moet de dienst :
1° erkend zijn voor de opleiding in de basisdiscipline en bovendien de meeste gebieden van de oncologie in deze discipline uitoefenen, zonder voorafgaande selectie van de gevallen (naargelang de discipline, de oncologische farmacotherapie, de immunologie en de klinische research desgevallend inbegrepen).
2° beschikken over een dienst voor daghospitalisatie, en een polikliniek georganiseerd binnen het kader van een erkend zorgprogramma in de oncologie;
3° een aangepaste infrastructuur bezitten evenals een voldoende aantal bevoegde medewerkers om het onderricht van een gefundeerde wetenschappelijke geneeskunde te waarborgen;
4° in dezelfde inrichting of in een dienst van een andere inrichting waarmee een samenwerkingsakkoord werd afgesloten patiënten kunnen opnemen en verzorgen door middel van radiotherapie;
5° in hetzelfde ziekenhuis diensten hebben voor gastro-enterologie, voor pneumologie, voor gynaecologie, voor heelkunde, voor inwendige geneeskunde, voor pediatrie, voor röntgendiagnose, voor intensieve zorg en spoedgevallenzorg, evenals een laboratorium voor klinische biologie, en een dienst voor anatomo-pathologie en voor nucleaire geneeskunde;
6° over een team beschikken dat in de behandeling van infectieziekten gespecialiseerd is. Deze regel is niet van toepassing voor verzorgingsinstellingen die enkel kankerpatiënten of kinderen behandelen;
7° in het ziekenhuis beschikken over een erkend zorgprogramma in de oncologie;
8° in het ziekenhuis beschikken over alle faciliteiten en deskundigheden om oncologische urgenties te herkennen en te behandelen;
9° de registratie van de patiënten en hun medische dossiers bewaren en bijhouden, en ervoor zorgen dat een classificatie volgens diagnose mogelijk is.
§ 2. Wanneer een gebied van de oncologie dat voor de opleiding belangrijk is, onvoldoende beoefend wordt in de dienst, moet de kandidaat door een rotatiestage zijn opleiding in dat gebied vervolledigen in een andere dienst of afdeling die daartoe erkend is.
HOOFDSTUK V. - Bijkomende criteria voor de opleiding en erkenning van stagediensten en stagemeesters, eigen aan elke discipline
Art. 5. De werkgroep « Specialisten« van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen kan per discipline bedoeld in artikel 1 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991, bijkomende criteria voorstellen met betrekking tot de stagemeesters, de stagediensten en de aard van de opleiding.
Deze criteria hebben in geen geval betrekking op de minimale duur van de opleiding.
Deze bijkomende criteria hebben betrekking op de opleidingsactiviteiten en de werkzaamheden van de stagediensten, met name op het type pathologie, het aantal patiëntencontacten, het aantal nieuw aangemelde patiënten met een oncologische aandoening, de leeftijd van de patiënten, het type behandeling en de organisatie van de dienst (multidisciplinair karakter, onderzoek, behandeling), het aantal stageplaatsen in de oncologie dat noodzakelijk is om de zorg te verzekeren en de bevoegde erkenningscommissie(s) voor oncologie.
HOOFDSTUK VI. - Overgangsbepalingen
Art. 6. § 1. In afwijking van artikel 2 kan als houder van de bijzondere beroepstitel in de oncologie erkend worden, de geneesheer-specialist bedoeld onder Hoofdstuk II die algemeen bekend staat als bijzonder bekwaam in de oncologie of die het bewijs levert dat hij, sedert ten minste vier jaar na zijn erkenning als geneesheer-specialist, de oncologie op een substantiële en belangrijke manier en met voldoende kennis uitoefent. Hij dient daartoe binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag in te dienen.
Het bewijs dat hij algemeen bekend staat als bijzonder bekwaam, kan geleverd worden door o.a. zijn persoonlijke publicaties, door zijn actieve deelname aan nationale en internationale congressen, aan wetenschappelijke vergaderingen in verband met de oncologie van zijn discipline, door een activiteit die typisch is voor de oncologie van zijn discipline.
§ 2. In afwijking van artikel 2 kan een stageperiode van twee jaar in de oncologie aangevat vóór de inwerkingtreding van dit besluit, als opleiding gevalideerd worden voor zover de aanvraag werd ingediend binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
§ 3. De in artikel 3 beoogde anciënniteit van de stagemeester of van de medewerker zal pas vereist worden 5 jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.
HOOFDSTUK VII. - Voorwaarden voor het behoud van de erkenning
Art. 7. Om erkend te blijven als houder van de bijzondere beroepstitel in de oncologie moet de geneesheer-specialist :
1° de oncologie in het kader van zijn discipline als hoofdberoep uitoefenen;
2° het bewijs kunnen leveren dat hij zorg verstrekt in de oncologie overeenkomstig de meest recente wetenschappelijke gegevens en kwaliteitscriteria;
3° zijn activiteit in de oncologische zorg volgens de procedure van peer review laten evalueren door experten aangeduid door de werkgroep « Specialisten » van de Hoge Raad van geneesheren- specialisten en van huisartsen;
4° zijn medewerking verlenen aan de initiatieven van het College voor Oncologie, in zoverre deze betrekking hebben op de aard en het type van de oncologische zorg dat hij verstrekt.
Brussel, 11 maart 2003.
J. TAVERNIER